Individuele Reintegratieovereenkomst (IRO) Reïntegratiebedrijven: idealisten of zakkenvullers?

Sinds de privatisering van de reïntegratiesector halverwege de jaren 90 is er een hoop veranderd in de reïntegratiebranche. Daar waar de overheid eerst zelf verantwoordelijk was voor het reïntegreren van mensen met een WW-, WWB,-WAO-, of WAJONG-uitkering, wordt dat tegenwoordig uitbesteed aan private ondernemingen.

In Nederland zijn ongeveer 800 bedrijven die zich met het reïntegreren van werklozen bezighouden. Ongeveer de helft daarvan is tijdens de privatisering opgericht, niet zelden door voormalige arbeidsdeskundigen van het UWV. Veel van deze bedrijven zijn de afgelopen jaren enorm in omvang gegroeid. Deze groei werd vooral veroorzaakt door de manier van aanbesteden van het UWV zelf: reïntegratiebedrijven schreven in op aanbestedingen, waarbij men vooral gefocust was op het binnenhalen van zo veel mogelijk trajecten. Hierdoor kwam het voor dat reïntegratiebedrijven onverwachts veel trajecten gegund kregen, met als gevolg dat er in allerijl nieuwe reïntegratieconsulenten moesten worden aangenomen.

De werklozen stonden immers met duizenden voor de poort en voor iedere werkloze moest een zogenaamd ‘arbeidsinpassingsplan’ worden geschreven. Bij aanname werd dan ook meer gelet op de rapportagevaardigheid van de nieuwe werknemer, dan op andere vakbekwaamheden zoals bemiddelingsvaardigheid. Bovendien viel er voor reïntegratiebedrijven heel wat te verdienen door de 100% financiering van het UWV; dit hield in dat alle in te zetten ‘reïntegratieproducten’ volledig werden betaald door het UWV, dus ongeacht het uiteindelijke resultaat van het traject.

Zo kon het voorkomen dat een cliënt meerdere reïntegratieproducten moest doorlopen dan nodig was. Een (extra) beroepenoriëntatie, sollicitatietraining of netwerkcursus bijvoorbeeld. Alles werd immers betaald en moest dus zo goed mogelijk beargumenteerd worden. Rapporteren dus in plaats van coachen en bemiddelen! Resultaat: belabberde plaatsingsresultaten en torenhoge reïntegratiekosten.

Reïntegratiebranche komt met eigen “keurmerk” .

Om orde te scheppen bedacht de Branche Organisatie voor Reintegratiebedrijven (BOREA) in 2002 het BOREA-keurmerk; een soort BOVAG-garantie, maar dan voor reïntegratiebedrijven. Het keurmerk is echter jammerlijk mislukt. Daar waar het was opgericht om de kwaliteit en transparantie van de reïntegratiebranche te bevorderen, is het volgens ingewijden vooral een beschermheer van grote reïntegratiebedrijven geworden. De grote bedrijven hebben immers meer stemrecht in BOREA dan de kleintjes. Het ging dan ook snel meer over marktaandeel, procedures en bedrijfsvoering, dan over succesvolle methodieken en resultaat. Een BOREA-keurmerk is ook eigenlijk niet meer dan een soort ISO-certificering waarbij je procedures vastlegt en klachten registreert.

Kortom: al doe je alles fout, dan is het van belang dat je alles op dezelfde manier fout doet. Het is dus niet verwonderlijk dat juist grote bedrijven zoveel moeite blijken te hebben met het succesvol reïntegreren van werkzoekenden. UWV en gemeenten stellen voorwaarden. Vanaf 2003 zijn UWV en gemeenten meer marktgericht gaan werken en is er geen sprake meer van 100%-financiering van trajecten. De aanbestedingsprijzen stonden onder druk en de politiek vond dat er beter gepresteerd moest worden. Reïntegratiebureaus waren hierdoor genoodzaakt om laag te offreren en bovendien was er sprake van toenemende concurrentie van nieuwe reïntegratiebedrijven.

Het was niet verwonderlijk dat reïntegratiebureaus vanaf 2003 meer groepsgewijs gingen werken. Een consulent of trainer voor een groep van 20 mensen is immers goedkoper dan één consulent per cliënt. Maar ook het groepswerk gaf geen verbetering van het resultaat. Integendeel; plaatsingsresultaten bleven achter, cliënten klaagden over tekort aan aandacht en verweten reïntegratiebureaus in toenemende mate dat zij niets voor hen deden. Intussen ontdekte de, zich tot dan toe suf rapporterende, reïntegratieconsulenten dat reïntegratie meer inhoud dan het schrijven van rapportages.

Introductie Individuele Reïntegratie Overeenkomst (IRO).

Door de toenemende klachten over het groepswerk van met name de grote reïntegratiefabrieken gaat minister De Geus in juni 2004 akkoord met een door de landelijke cliëntenraad gevraagde Individuele Reïntegratie Overeenkomst (IRO). Bij deze regeling heeft de werkzoekende recht op een persoonsgebonden budget van ca. 5000 euro en kan zelf zijn reïntegratietraject samenstellen met behulp van een reïntegratiebedrijf naar keuze. Een groot voordeel van deze regeling is dat er meer ruimte is voor eventuele scholing en cliënten zelf een plan maken waar zij achter staan en dat door het reïntegratiebureau en UWV wordt getoetst aan de realiteit van de arbeidsmarkt.

Bovendien is hier sprake van resultaatfinanciering. Reïntegratiebedrijven krijgen pas volledig betaald wanneer de werkzoekende een duurzame baan heeft aanvaard en ruim door zijn proeftijd heen is. Veel vraag naar individuele reïntegratieovereenkomsten. Inmiddels maken zo’n 15000 werklozen gebruik van een Individuele Reïntegratieovereenkomst. Uit een onderzoek, dat het bureau APE in opdracht van het ministerie van sociale zaken uitvoerde, blijkt dat het succespercentage van deze trajecten vooralsnog hoger is dan dat van reguliere trajecten. Daarbij dient wel opgemerkt te worden dat mensen die zelf een bureau kiezen wel eens gemotiveerder zouden kunnen zijn in het zoeken en aanvaarden van werk. Bovendien zijn er pas echt conclusies te trekken bij een substantieel aantal afrondingen van trajecten. Veel mensen zitten immers nog in traject.

Een ander opvallend gegeven is de hoge waardering voor de keuzevrijheid door werkzoekenden zelf. Vooral WW-ers zijn erg tevreden over de geboden keuzevrijheid. De keuzevrijheid beperkt zich echter tot cliënten van het UWV. Gemeentelijke sociale diensten geven vooralsnog geen mogelijkheid tot het kiezen van je eigen reïntegratiebedrijf. En dat blijft toch vreemd, wanneer je bedenkt dat het commitment nu eenmaal groter is wanneer je zelf mag kiezen. Minister De Geus wil arbeidsgehandicapten en werklozen de mogelijkheid geven om zelf een reïntegratiebedrijf of Arbo-dienst te kiezen. In een brief aan de kamer schrijft hij dat hij in de Wet SUWI een mogelijkheid wil opnemen voor een zogenaamde individuele reïntegratieovereenkomst (IRO). De minister had deze regeling al eerder aangekondigd. In december 2003 vroeg hij UWV cliënten vast de mogelijkheid te bieden een individuele reïntegratieovereenkomst aan te vragen. Om ervoor te zorgen dat de mensen die een IRO hebben aangevraagd hem ook daadwerkelijk snel krijgen, is het volgens de minister zaak dat de regeling op zeer korte termijn wordt ingevoerd.

Nu is het zo dat deze uitkeringsgerechtigden een traject krijgen aangeboden bij een bureau dat onder contract staat bij UVW. In sommige gevallen heeft iemand echter behoefte aan een ander soort bedrijf. Vanaf najaar 1998 is in drie regio’s (Haaglanden, Maastricht en Midden-Nederland) geëxperimenteerd met persoonsgebonden reïntegratiebudgetten, een variant van de IRO. Op basis van dit experiment kwam de minister tot zijn IRO-voorstel. De minister was van plan de proef te stoppen, maar zet hem nu op verzoek van de Kamer voort, die op 27 april 2004 een motie van die strekking aannam. Op diezelfde dag nam de Kamer een motie aan waarin gesteld werd dat de IRO onvoldoende is toegespitst op ‘moeilijk plaatsbare groepen’. Om aan deze motie tegemoet te komen is volgens de minister nader onderzoek nodig. (bron:Staatscourant) —

Via de Individuele Reïntegratie Overeenkomst (IRO) hebben cliënten van het UWV die aangewezen zijn op een reïntegratietraject de mogelijkheid om zelf invulling te geven aan het reïntegratietraject en zelf te bepalen welk reïntegratiebedrijf wordt ingeschakeld. Het UWV stelt daar echter wel bepaalde voorwaarden aan. Vanaf 1 januari 2004 vervangt IRO daarmee de experimentregeling Persoonsgebonden Reïntegratiebudget (PRB) voor arbeidsgehandicapte werklozen. De aanvraag dient bij het UWV ingediend te worden. Voorlopig wordt daarbij een noodprocedure gehanteerd.

Medio maart wordt de definitieve versie verwacht. De cliënt stelt al dan niet in samenwerking met een reïntegratiebedrijf een trajectplan op waarin, onderbouwd met een begroting, beschreven wordt welke activiteiten er worden verricht en welk werk het doel is. Het UWV zal bij toewijzing namens de cliënt een overeenkomst sluiten met het reïntegratiebedrijf om het trajectplan zoals die het heeft voorgesteld uit te voeren.

Belangrijk om te weten hierbij is dat het reïntegratiebedrijf de laatste 50% van het afgesproken bedrag pas verdient als bij uitplaatsing volgens de geldende normen van het UWV. Gemeenten dienen zelf hun beleid m.b.t. IRO/ PRB vorm te geven. PRB voor arbeidsgehandicapte werknemers blijft vooralsnog onveranderd bestaan. Reïntegratiebedrijven kunnen ondersteunen en adviseren bij het opstellen van het plan en bij de aanvraag en ze kunnen het traject naar werk uitvoeren. (bron: BOREA) –IRO en maatwerk